|
Recente artikelen uit de PsychoSociale Courant
nummer: 88 - januari/februari 2011
De gelukkigste ouders en
kinderen wonen in Nederland
Zijn Nederlandse ouders faalangstig, overbezorgd en ongelukkig met
hun kroost? Welnee. En als ze het zijn, is daar geen reden voor.
TEKST: Henk Hanssen, Hoofdredacteur
www.ikvader.nl
en schrijver van diverse vaderschapsboeken
Vroeger dienden kinderen een helder doel: ze fungeerden als een
levende pensioenvoorziening voor hun ouders. We trachtten zoveel
mogelijk kinderen te verwekken, investeerden er tijd, aandacht en
voedsel in en hoopten dat de kinderen die overleefden later
voldoende middelen wisten te genereren om ons te kunnen onderhouden.
In menig land is ‘de oude dag overleven’ nog altijd een belangrijk
motief achter het ouderschap. Hoewel in Nederland de pensioenen in
rap tempo afkalven, is de kans dat wij terugkeren naar dit
uitgangspunt vooralsnog gering. Kinderen mogen zich beperken tot die
ene taak: het bezorgen van geluk aan hun ouders. Slagen zij daarin?
‘IK BEN NIET ZO’N MUTS DIE
ALLEEN MAAR IN DEN HAAG RONDLOOPT’
De nieuwe minister voor Jeugd en Gezin zal het niet gemakkelijk
krijgen met de 29-jarige Nine Kooiman. Als voormalig
fractiemedewerker van vertrekkend Kamerlid Marianne Langkamp kent
dit nieuwe SP-Tweede Kamerlid de Haagse mores al door en door. Ook
heeft ze ruim praktijkervaring opgedaan als jeugdhulpverlener en
afdelingsvoorzitter in Nieuwegein. ‘Ik voel me het bonus-Kamerlid’.
TEKST: Jola van Dijk
BRON: SP-TRIBUNE
De Tweede Kamer lijkt wel uitgestorven als we Nine Kooiman midden
augustus opzoeken in Den Haag. Veel kamerleden zijn op vakantie en
overal staan verhuisdozen en verdwaald kantoormeubilair. Vanwege de
verkiezingsuitslag moeten alle fracties verhuizen en is het overal
een zootje, maar het bureau van Kooiman is al helemaal ingericht.
Met een aanstekelijke lach vertelt ze over de spannende
verkiezingscampagne, hoe ze in de Kamer terecht is gekomen en alles
wat ze wil verbeteren voor de jeugd.
Gefeliciteerd met je Kamerzetel. Had je het verwacht?
‘We hoopten in ieder geval de veertien zittende Kamerleden die boven
mij op de lijst stonden te kunnen behouden. Maar het werden er
vijftien, dus ik voel me een beetje het bonuskamerlid. Emile Roemer
heeft het heel erg goed gedaan, daardoor ontstond tijdens de
campagne een soort positieve flow. Alle SP’ers zullen op straat
gemerkt hebben dat ze ineens anders aangesproken werden. Dat goede
gevoel kan ik nog steeds niet loslaten. Ik had na de beëdiging
gelijk drie debatten in de Kamer, dus even uitrusten was er niet
bij.’
Je bent meteen in het diepe gegooid?
‘Ja en dat is maar goed ook. Als fractiemedewerker zat ik er vaak
bij als Marianne Langkamp geïnterviewd werd of debatteerde, maar nu
sta ik zelf op de voorgrond en heb ik meteen goed kunnen oefenen.
Het scheelt wel dat ik nu precies dezelfde portefeuille heb als toen
ik voor Marianne werkte. Ik hoef me niet in te lezen, want ik weet
wat er speelt en was betrokken bij alle moties en onderzoeken.’
Prikkelbare darm (PDS) of Irritable
Bowel Syndrome (IBS)
Het prikkelbare darmsyndroom (vaak wordt ook het Engelse woord
irritable bowel syndrome (IBS) gebruikt) wordt soms ook spastisch
colon of 'spastische darm' genoemd. Maar dat is een ongelukkige
benaming omdat daarmee een onjuiste oorzaak voor de aandoening wordt
gesuggereerd.
TEKST: Peter Zwarts
BRON: Gezondheid BE
Het prikkelbare darmsyndroom komt voor bij 15 tot 20 procent van de
vrouwen en 5 tot 20 procent van de mannen, voornamelijk vanaf het
15e tot het 65e levensjaar. Slechts éénderde van de mensen met
klachten die overeenkomen met het prikkelbare darmsyndroom zoekt
medische hulp. Het is een vervelende maar geen ernstige aandoening.
Er bestaat geen verhoogde kans op darmkanker.
Onaangenaam gevoel
Er is sprake van het prikkelbare darm syndroom als een patiënt
tijdens het afgelopen jaar gedurende langere tijd (minstens 12 weken
aan een stuk) continu of met tussenpauzen buikpijn of een
onaangenaam gevoel in de buik heeft, met daarbij één of meer van de
volgende klachten:
- een opgeblazen gevoel in de buik;
- een wisselend ontlastingspatroon (meer dan drie keer per dag of
minder dan drie maal per week, geregeld diarree en/of verstopping of
een afwisseling van beide);
- abnormale vorm van de ontlasting (zacht of waterig, of zeer hard);
- wijzigingen in de manier van ontlasten (abnormaal persen, loze
aandrang of het gevoel van dat er nog iets achter gebleven is na de
ontlasting);
- slijm zonder bloed in de ontlasting;
- winderigheid;
- bij drukken op de buik een pijnlijke en gevoelige dikke darm.
Soms gaat het gepaard met andere klachten zoals misselijkheid,
minder goed verteren van voedsel en herhaaldelijk boeren
(dyspepsie), moeheid, klachten bij het plassen (dysurie). Ook komen
soms klachten van angst, depressie en stress voor.
De klachten zijn vaak langdurig, komen voor in periodes, en zijn
doorgaans wisselend van aard. Het valt niet te voorspellen hoe bij
iemand het beloop van de klachten zal zijn.
Juryrapport Psyche Mediaprijs
De Psyche Mediaprijs is nieuw en wordt dit jaar voor het eerst
uitgereikt. Deze prijs is een idee van het Fonds Psychische
Gezondheid en de initiatiefgroep Psyche, Media en Stigma. De prijs
bedraagt een bedrag van € 5000,-.
TEKST: Paul Schnabel, voorzitter Psyche Mediaprijs 2010
Gijs Francken
Bram Bakker
Michaja Langelaan
Het doel van de prijs is media te stimuleren om met kennis, inzicht
en betrokkenheid te berichten over psychische problemen en mensen
die daaraan lijden. Dit willen we bereiken door iedere twee jaar een
journalist of programmamaker te prijzen die hier in de Nederlandse
taal op uitmuntende wijze in slaagt. Deze persoon moet op een
zorgvuldige en inzichtgevende manier vertellen of schrijven over
psychische problemen. Zijn of haar inzending draagt er toe bij dat
mensen met psychische problemen minder last hebben van vooroordelen
en argwaan. Meer openheid en minder schaamte, dat is het doel.
Het uitreiken van een mediaprijs gebeurt niet alleen in Nederland.
In veel westerse landen, waaronder de VS, Australie en het VK is de
mediaprijs een uitdrukking van de overtuiging dat de media een
belangrijke maatschappelijke rol kunnen spelen in het streven van de
geestelijke gezondheidszorg stigmatisering van mensen met psychische
problemen tegen te gaan.
De eerste jury van de Nederlandse Psyche Mediaprijs bestond uit
Michaja Langelaan (hoofdredacteur Psy), Bram Bakker (psychiater),
Gijs Francken (stichting GGZ+), en Paul Schnabel (directeur Sociaal
en Cultureel Planbureau). Het secretariaat werd gevoerd door Iris
Nijkamp van het Fonds Psychische Gezondheid.
Inzendingen
De jury van de Psyche Mediaprijs heeft in totaal 62 inzendingen
gekregen, die aan de criteria voor de prijs beantwoorden. We lazen
42 artikelen uit dag- en weekbladen en magazines, luisterden naar 5
radioreportages en zagen 15 televisieproducties. Het ging om
inzendingen die in de periode van 1 januari 2009 tot 1 augustus 2010
werden uitgezonden of gepubliceerd.
PSYCHISCHE PROBLEMEN
Er zijn veel verschillende soorten psychische problemen met elk hun
specifieke kenmerken en gevolgen. In dit artikel zijn een paar
voorbeelden gegeven van psychische problemen.
TEKSTBEWERKING: Peter Zwarts
BRON: TU Delft
Psychose
Een psychose is een psychische stoornis die met name gekenmerkt
wordt door terugkerende psychotische episodes. De patiënt kan
chronische klachten hebben, de zogenaamde restverschijnselen. Het
blijven nemen van medicatie (ook als de klachten al verdwenen zijn)
is belangrijk. Gedrag en (gedeeltelijke) onzichtbaarheid van de
aandoening kunnen leiden tot onbegrip.
De verschijnselen:
Vreemd, bizar gedrag. Een ‘eigen werkelijkheid’ door wanen en/of
hallucinaties (horen, zien, voelen of ruiken van dingen die andere
mensen niet waarnemen) en verward denken. Het denken verloopt te
snel, langzaam of chaotisch. De gedachten zijn niet te sturen,
informatie is moeilijk op te nemen en te onthouden. Periodes van
afwezigheid (door opname) bij psychose.
Negatieve restverschijnselen
De negatieve ‘restverschijnselen’ zijn weinig emoties, afwezig en
gereserveerd gedrag. Gedachten niet kunnen ordenen. Verwaarlozen van
zichzelf, studie en sociale contacten. Al dan niet door medicatie
initiatiefloos, vermoeid, ongemotiveerd en verminderd in
concentratievermogen zijn. Hierdoor kunnen psychosociale problemen
ontstaan. Angsten en depressie kunnen voorkomen. De patiënt is na
een psychose vaak extra vermoeid en ‘leeg’.
De patiënt is stressgevoelig, dus stressvolle situaties vermijden,
regelmatig leven en goede balans tussen rust en activiteit zoeken.
Vaak zijn er bepaalde voorbodes voor een psychose waarneembaar. In
verband met vaak voorkomen van onzekerheid is het bieden van
duidelijkheid ook belangrijk.
Angststoornissen
Er zijn verschillende soorten angststoornissen en zeer wisselende
uitingsvormen, bijvoorbeeld: paniekstoornis, verschillende fobieën,
obsessief-compulsieve stoornis en gegeneraliseerde angststoornis.
Kenmerkend is de angst en de stress(gevoeligheid) die de angst met
zich meebrengt. Onzichtbaarheid en onbekendheid kan onbegrip
veroorzaken.
Angst kan zich uiten in terugkerende hevige paniekaanvallen, soms
gepaard gaande met hyperventilatie. Bij specifieke angsten of
fobieën, vrees voor bepaalde voorwerpen, activiteiten of vervelende
situaties; die beter kunnen worden vermeden.
Dwangmatig denken en handelen komt voor bij de obsessief-compulsieve
stoornis, en mogelijk ook ‘chronische’ onrust of angst bij
gegeneraliseerde angststoornis. Energie en concentratie kunnen met
name bij gegeneraliseerde angststoornissen verminderd zijn.
Stoppen met werk of studieactiviteiten is bij zo’n ‘aanval’
mogelijk. Afwezigheid en beperkte belastbaarheid kunnen gevolgen
zijn. De werknemer of student is stressgevoelig en onzeker, wat kan
resulteren in sociale beperkingen en isolement. Een vertrouwde
veilige omgeving is erg belangrijk.
Voor meer informatie:
www.smartstudie.tudelft.nl
WORDT HET ‘PARELTJE VAN BESCHAVING’
WEGGETREITERD?
Ooit was de Nederlandse Sociale Werkvoorziening een ‘pareltje van
beschaving’. Dat pareltje heeft de afgelopen decennia lelijke
krassen opgelopen. Hervormingen, wetswijzigingen met op de
achtergrond een opstomende marktwerking. Tegenover dat massieve
geweld staan kwetsbare mensen.
TEKST: Paul Waaijers en Jola van Dijk
BRON: SP-Tribune: jaargang 46, nr. 10 November 2010
In 1975 werkte Peter Vink (nu 61) als arbeidsanalist in de
vleesverwerkende industrie. Tijdens deze carrière kwam de toen
26-jarige Vink ernstig in de problemen. Vink: ‘ik werd lichamelijk
ziek en ook na talloze ziekenhuisonderzoeken kwam men er niet achter
wat ik eigenlijk mankeerde. Ik kwam in de WAO terecht en zat
uiteindelijk bij een psychiater. Na twaalf jaar kwam men erachter
dat ik een hyperventilatiesyndroom had waardoor ik angsten kreeg. De
oorzaak: tijdens mijn werk als arbeidsanalist stond ik constant
onder buitensporige stress. De normeringen van het bedrijf stonden
vaak haaks op wat goed was voor de werknemers. Ik zat dus als
arbeidsanalist eigenlijk in een onmogelijke positie.’
Pas na twaalf jaar wist Vink uit zijn persoonlijke dal te kruipen.
Hij wilde vrijwilligerswerk gaan doen en kwam in contact met een
bedrijfsleider van de Rissegroep, een sociale werkplaats in Weert.
De bedrijfsleider bood Vink een heuse baan aan als administratieve
kracht op de elektronica-afdeling. Zo ging dat toen, bij de sociale
werkvoorziening. Geen indicatiecommissies of profielschetsers die
zich er tegenaan bemoeiden. Gewoon een beetje uit de losse pols.
Vink: ‘Ik herinner mij een kolenboer. Die was door zijn rug gegaan.
Toen was het ook zo van: “Joh, kom er maar bij.” Puur voor het
sociale aspect.’
Verdiepen in de handicap
Volgens Vink is inlevingsvermogen de smeerolie voor de sociale
functie van de WSW. Hij zag dat vermogen langzaam teruglopen: ‘Kijk,
je moet empathie hebben met de WSW’er. Je moet je willen verdiepen
in zijn handicap. Doe je dat, dan blijkt veel mogelijk. Doe je dat
niet, dan creëer je problemen. Toen in 1998 de psychiatrische
patiënten de WSW binnenkwamen, ook bij de Risse in Weert, vond ik
dat een goeie zaak. Want die mensen hebben recht op een zinvolle
tijdsbesteding en arbeidsplek. Als je weet dat bijvoorbeeld een
schizofreen alleen maar kan functioneren als hij met zijn rug dicht
tegen een muur aanzit, zodat hij de werkplaats kan overzien, dan
moet je daarvoor zorgen. Doe je dat niet, omdat je het maar
aanstellerij vindt, dan vráág je als werkleider om problemen.’
Eén voorbeeld waarin het helemaal misliep, staat Vink nog vers in
het geheugen: ‘Tja, dat is het verhaal van ene Wil, buitensporig
breed en sterk. Een en al spieren, die op hun beurt echter werden
aangestuurd door een kwetsbare psyche. Op een dag had Wil een vraag
aan de afdeling Personeelszaken. Eigenlijk had hij die vraag via
zijn werkleider moeten stellen, maar door zijn psychische aandoening
snapte Wil alleen de korte communicatielijnen. Waarop de
geïrriteerde personeelsambtenaar op zijn bureaucratische strepen
ging staan. Dat gesprek liep compleet uit de rails. Paniekerig belde
een administrateur mij op: “Peter, kom gauw! Wil draait door!”
Ondertussen hadden ze ook de politie erbij gehaald. Ik heb Wil weg
weten te praten naar mijn kantoortje. Daar stortte hij volledig in.
Huilen als een klein kind. Riep de hele tijd: “Ik begrijp het niet!
Ik had goddomme alleen maar een vraag!” Twee dagen later had hij
zichzelf opgehangen. Dit is natuurlijk wel een extreem voorbeeld,
maar het geeft aan hoe rampzalig het kan uitpakken als je je niet in
de mensen binnen de WSW verdiept.’
Scoliose: vroegtijdig opsporen
Scoliose is een abnormale zijdelingse kromming in de wervelkolom.
Het is een veel voorkomende afwijking bij jongeren; vooral bij
meisjes. Als ze niet wordt behandeld, wordt de kromming sterker. Om
erger te voorkomen is het belangrijk dat de afwijking zo vroeg
mogelijk wordt vastgesteld.
TEKSTBEWERKING: Peter Zwarts
BRON: Gezondheid BE
In 2 à 3 gevallen op de 10 patiënten is de scoliose aangeboren of
het gevolg van een aangeboren probleem, zoals bijv. bepaalde
spierziektes, chromosomale afwijkingen zoals het syndroom van Down,
verlammingen, enz.
In de meeste gevallen echter is de oorzaak onbekend. Men spreekt dan
van ‘ideopathische scoliose’ (ideopathisch betekent gewoon dat men
de oorzaak niet kent). Deze vorm van scoliose treedt meestal op
vanaf de puberteit en komt voor bij zowat 2 à 4 % van de kinderen;
vooral bij meisjes. Waarschijnlijk bestaat er een zekere erfelijke
aanleg.
Dat scoliose een gevolg zou zijn van een verkeerde houding op de
schoolbanken of het sleuren met te zware boekentassen, is een
fabeltje. Een verkeerde houding heeft ook geen invloed op de verdere
evolutie van de afwijking. Ook heeft scoliose niets te maken met een
zwak beendergestel omdat het kind te weinig melk zou drinken.
Om van scoliose te kunnen spreken, moet er een echte scheefgroei van
de wervelkolom zijn, waarbij de wervels niet enkel krom groeien maar
bovendien ook langs hun ‘overlangse as’ draaien. Wanneer het ene
been bijvoorbeeld iets langer is dan het andere, iets wat bij zeer
veel mensen het geval is, dan zakt het bekken iets scheef en dus ook
de rug, maar in dit geval gaat het niet om scoliose omdat er aan de
rug zelfs niets mankeert. Een correctie van het verschil in
beenlengte (bijv. door een verhoogde zool) doet de afwijking
verdwijnen.
Het kan verkeren
Gerbrand Adriaenszoon Bredero heeft een kort maar bewogen leven
gehad. Hij was zelf waarschijnlijk de beste illustratie bij het
gezegde dat hij toevoegde aan de Nederlandse taal: 'Het kan
verkeren.' Een man die weinig geluk kende in zijn leven en daardoor
als geen ander wist te relativeren. deze drie woorden werden zijn
persoonlijke lijfspreuk, al zijn werken ondertekende hij met deze
woorden.
TEKST: Rick Denkers, voorzitter NFG-bestuur
Sindsdien is het een gevleugelde uitspraak geworden. Tal van
beroemde en minder beroemde medelanders maakte het tot hun
persoonlijk credo. Naast alle andere bijdragen zijn deze drie
eenvoudige woorden het belangrijkste dat Bredero heeft bijgedragen
aan onze cultuur.
Wie over deze woorden nadenkt komt tot de conclusie dat er een hele
wereld van wijsheid in schuilgaat. Het relativerende, maar ook de
erkenning dat dingen anders gaan dan dat je soms graag zou willen.
Het berustende. Maar ook: het zoeken naar andere wegen. Of - meer
managerieel gesproken - er schuilt ook een zekere erkenning in voor
de dialectiek van processen.
Na de zomervakantie beginnen ieder jaar weer de gesprekken met
verzekeraars over erkenning voor het volgende jaar. In het verleden
waren dit meestal gesprekken die vooral een prettig en ongedwongen
karakter hadden. De laatste paar jaren bemerken wij dat ieder jaar
weer de verzekeraars meer interesse tonen in wat wij als
psychosociaal werkenden nu precies doen. Gesprekken zijn geen
‘gesprekken’ meer, maar worden steeds vaker processen.
Vorig jaar heeft u daar al wat van gemerkt. Medische basiskennis
werd opeens een begrip dat een focus meekreeg. De komende jaren zult
u veel meer op dit gebied zien. Want de verzekeraars streven naar
steeds meer inzicht in kwaliteit. En vooral ook: hoe kunnen we de
kwaliteit verhogen en inzichtelijker maken voor onze verzekerden.
Dat is wat de verzekeraars beweegt, en dat sluit prima aan waar de
NFG voor staat. Ook wij zijn constant bezig met het zoeken naar
kwaliteitsverhoging; als vereniging, maar zeker ook voor de
individuele therapeut.
Onder een aantal van u ging het gerucht dat de NFG niet meer erkend
zou worden door Menzis voor het jaar 2011. Laat ik voorop stellen:
we zijn nog altijd in gesprek met Menzis. En daar boeken we goede
vooruitgang mee. De gesprekken gaan niet alleen over het
verzekeringsjaar 2011 maar lopen tot 2015. We hebben gemerkt dat
Menzis zeer veel interesse toont in wat wij doen en vooral hoe wij
dat doen. Daar hebben zij hun wensen, eisen, opmerkingen etc. naast
gelegd. Dit heeft al tot een boeiende samenwerking geleid. Maar laat
ik voorop stellen dat we aan de vooravond staan van veranderingen,
grote veranderingen.
Nader Bekeken
FAALANGST EN DYSLEXIE
Ter afronding van haar HBO-opleiding tot Psychosociaal werker -
Psychosociaal therapeut bij Academie Gradatim schreef Rieneke van
Eldik-Hollander haar scriptie over faalangst en dyslexie. Ze koos
voor dit onderwerp omdat haar jongste dochter dyslectisch is. “Ik
heb me, vanaf het moment dat wij weten dat zij dyslectisch is, enorm
ingezet om samen met haar er voor te zorgen dat zij een zo ‘gewoon’
mogelijke schooltijd zou hebben. Zonder al te veel last te hebben
van de bijkomstige problemen, zoals o.a. faalangst, die vaak
samengaan met dyslexie”. Rieneke koos als onderzoeksvraag voor haar
scriptie: “Komt faalangst vaker voor bij kinderen met dyslexie dan
bij kinderen zonder dyslexie?” In dit artikel wordt een deel van
haar scriptie weergegeven.
TEKST: Rieneke van Eldik-Hollander
BEWERKING: Esther Olthof
Faalangst is, vooral op school, een veel voorkomend
sociaal-emotioneel probleem. Sociaal-emotionele problemen kunnen in
allerlei gradaties voorkomen. Hoe hardnekkiger een probleem is hoe
eerder men het als een "stoornis" zal kwalificeren. Er is dan sprake
van een zich herhalend en aanhoudend patroon.
Bij sociaal-emotionele problemen is het individu zélf het
"slachtoffer" van zijn of haar probleem.
Faalangst is een vorm van angst. Angst waarschuwt ons voor gevaar en
is een overlevingsmechanisme (Nieuwenbroek, 2006). Angst levert
kracht en energie op die je op verschillende manieren kunt
gebruiken. Angst kan ook negatief werken en er toe leiden dat je
bang bent voor ongevaarlijke dingen en het niet aandurven van
bepaalde taken. Kinderen oefenen zich in het leren omgaan met angst
door allerlei spelletjes te spelen waarbij ze hun angst leren
overwinnen. Denk aan verstoppertje spelen, griezelige verhalen
vertellen etc.. Door het leren overwinnen van angst vergroot je de
mogelijkheid om je leven in te richten op de manier die jou bevalt.
Het maakt je gelukkiger (Nieuwenbroek, 2006).
Faalangst hangt nauw samen met de angst voor kritiek, waarbij men
ook nog eens bang is omdat men niet weet hoe er op de kritiek
gereageerd moet worden.
Faalangst lijkt vooral voor te komen als men iets moet doen voor een
ander die met zijn of haar normen en waarden kijkt, luistert,
beoordeelt en ‘veroordeelt’
(Langedijk, 2008).
Langedijk (2008) heeft de indruk dat faalangst vooral voorkomt bij
mensen in een ongelijke positie zoals een kind bij zijn ouders, een
leerling bij een onderwijzer etc.. Sommige mensen hebben geen last
van faalangst als ze baas zijn over een aantal mensen maar wel
tegenover hun eigen baas aan wie ze verantwoording verschuldigd zijn
of door wie ze beoordeeld kunnen worden. Dit zie je soms ook bij
docenten. Tegenover de leerlingen zijn ze autoritair maar tegenover
de directeur zijn ze onderdanig.
De definitie van faalangst, zoals ik hem gebruik in deze scriptie,
is:
Faalangst is een vorm van angst als toestand, die kan optreden bij
te beoordelen (school)prestaties op cognitief, sociaal en/of
motorisch gebied, waarbij de concentratie op een mogelijke
mislukking de aanwezige kennis en vaardigheden blokkeert (Nieuwenbroek/Ter
Beek 1999).
Oorzaken van faalangst
Nieuwenbroek (2006) is van mening dat het veel te simpel is om te
zeggen dat het hebben van faalangst ligt aan de ouders of, in geval
van schoolgaande kinderen, aan de school. Uiteraard spelen school-
en gezinsinvloeden wel een belangrijke rol en kan de oorzaak zeer
zeker daar liggen maar van schuld moeten we volgens hem niet
uitgaan. De persoonlijkheid wordt immers bepaald door de aanleg en
die wordt weer gevormd en gevoed door omgevingsfactoren zoals
ouders, school en gezin.
In de eerste jaren van het leven ontwikkelt een kind een bepaalde
visie op zichzelf en de wereld. Dit vindt voornamelijk plaats in het
ouderlijk gezin. In het gezin wordt het fundament gelegd voor
verdere ontwikkeling (Nieuwenbroek, 2006).
Veiligheid is de basisvoorwaarde voor een goede ontwikkeling. Deze
veiligheid wordt in eerste instantie geboden door de verzorgende
ouder. Een breuk in het gezin, verlies van een ouder, ruzie of
probleemgedrag van andere gezinsleden kunnen een goede ontwikkeling
in de weg staan (Nieuwenbroek, 2006).
Een kind krijgt elke dag verschillende opdrachten. Soms in de vorm
van een vraag en soms als bevel. Een kind wil aardig gevonden worden
dus probeert het die opdrachten uit te voeren. Dit lijkt niet
moeilijk maar niets is minder waar. Wat moet je bijvoorbeeld met de
opdracht “schiet eens op”, “flink zijn hoor”? Hoe weet een kind
wanneer het is opgeschoten of inderdaad flink is? Het zijn vooral
deze niet-uitvoerbare opdrachten die zorgen voor het creëren van
faalangst
(Nieuwenbroek, 2006).
Alle niet-uitvoerbare opdrachten zijn terug te brengen tot zes
basisopdrachten:
Doe je best!
Doe me een plezier!
Flink zijn!
Schiet op!
Wees perfect!
Wees toch spontaan!
Dit soort opdrachten sluiten het falen eigenlijk al in. Sommige
kinderen moeten vaak van dit soort opdrachten uitvoeren en hebben
niet door dat de opdracht eigenlijk niet uit te voeren is zonder te
falen. Wanneer voldoe je immers aan een dergelijk opdracht? Kinderen
die dit niet doorhebben vertonen al snel kenmerken van faalangst (Nieuwenbroek,
2006).
Kenmerken van faalangst kunnen fysiologisch of psychisch zijn maar
er zijn ook bepaalde gedragsreacties aan te geven.
Fysiologische reacties:
zweten
trillen
misselijk
blozen
veel moeten plassen
buikpijn
Psychologische reacties:
piekeren
angst als toestand
wanhoop
agressie
verdriet
ongeconcentreerdheid
Gedragsreacties:
zich afzonderen
stoer
weglopen/vermijden van opdrachten
bevestiging vragen
moeilijk “nee” kunnen zeggen
onrustig zijn
Lees verder in de
PsychoSociale Courant!
|